Wat de Wet vervallen VIR, woonplaatsbeginsel en kwaliteit betekent voor gemeenten, jeugdhulpaanbieders en jongeren. En waarom u nu al aan de slag moet.
Van 28 augustus tot en met 9 oktober 2026 loopt de internetconsultatie over de Wet vervallen VIR, woonplaatsbeginsel en kwaliteit. Achter die weinig sprekende titel gaat een verzamelwet schuil die op drie fronten ingrijpt in de Jeugdwet: de Verwijsindex Risicojongeren (VIR) verdwijnt volledig, het woonplaatsbeginsel wordt op onderdelen aangescherpt, en jeugdhulpaanbieders krijgen er een meld- en vergewisplicht bij. Voor gemeenten en aanbieders is vooral het eerste onderdeel ingrijpend, juist omdat er géén overgangsrecht komt.
1. De verwijsindex risicojongeren verdwijnt – in één keer
De VIR is sinds 2010 het landelijke systeem waarin professionals een jongere tot 23 jaar kunnen signaleren. Melden twee professionals dezelfde jongere, dan volgt een match en kunnen zij contact opnemen. Het wetsvoorstel schrapt niet alleen de meldmogelijkheid, maar ook de drie wettelijke gemeentelijke taken die eraan hangen: het in stand houden van een regionaal signaleringssysteem, het afsluiten van een meldingenconvenant en het bevorderen van het gebruik.
De onderbouwing is bekend: vijf evaluaties op rij lieten achterblijvend gebruik en het ontbreken van landelijke dekking zien. Zonder die dekking valt volgens het kabinet de proportionaliteit van de gegevensverwerking weg, en daarmee de juridische grondslag. Een “kan-bepaling” voor regio’s waar de VIR wél goed loopt is om diezelfde reden niet mogelijk: zodra de verplichting vervalt, verdwijnt de bovenregionale functie (gezinsmatch, verhuisbewegingen) en daarmee de rechtvaardiging voor het hele systeem.
Het scherpst is de keuze om geen overgangstermijn te hanteren. Op de dag van inwerkingtreding vervalt de wettelijke grondslag, mag de VIR niet meer worden gebruikt en moeten alle gegevens worden vernietigd, inclusief het historisch meldarchief en het logboek. Voor de landelijke index regelt het CIBG dat; voor de regionale verwijsindexen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk. Het ministerie kiest hier bewust voor duidelijkheid boven een zachte landing.
2. Het woonplaatsbeginsel: drie aanscherpingen die geld schelen
Minder zichtbaar, maar financieel relevant zijn de wijzigingen in het woonplaatsbeginsel:
- Jeugdhulp met verblijf. Er is alleen sprake van een herkomstgemeente als de jeugdige daadwerkelijk staat ingeschreven op het woonadres van de verblijfsinstelling. In alle andere gevallen is de woongemeente verantwoordelijk en hoeft niemand nog uit te zoeken waar de jeugdige oorspronkelijk vandaan komt.
- Baby’s geboren in verblijf. Wordt een kind geboren terwijl moeder in de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang of een moeder-kindhuis verblijft, dan blijft de gemeente waar moeder vóór het verblijf woonde verantwoordelijk, ook voor opvoedingsondersteuning aan moeder. Daarmee vervalt op termijn ook de noodzaak van de SPUK Niet-beoogde jeugdzorgkosten voor deze groep.
- Verrekening tussen gemeenten. Blijkt een andere gemeente financieel verantwoordelijk, dan wordt verrekend vanaf het moment dat de eerste gemeente contact opnam. Niet met terugwerkende kracht over de hele foutperiode. Dat contact verloopt bij voorkeur schriftelijk.
De VNG-uitvoeringstoets is hier positief: de aanpassingen sluiten aan bij uitspraken van de Geschillencommissie en zijn goed uitvoerbaar. Wel geldt het voorbehoud dat het om een beperkt aantal casussen gaat en dat het woonplaatsbeginsel ingewikkeld blijft.
3. Kwaliteit en toezicht: meldplicht en vergewisplicht
Naar analogie van de Wkkgz komen er twee nieuwe verplichtingen. Jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen, justitiële jeugdinrichtingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis moeten voortaan melden bij de inspecties wanneer zij een contract beëindigen wegens ernstig tekortschieten in het functioneren. En zij moeten zich bij nieuw personeel vergewissen van het arbeidsverleden. Een VOG alleen is een momentopname en zegt niets over bekwaamheid of tuchtmaatregelen.
Daarnaast krijgen IGJ en IJenV eindelijk een wettelijke grondslag om “andere meldingen” te onderzoeken en daarbij persoonsgegevens te verwerken, en worden de grondslagen voor gegevensuitwisseling met de SKJ aangevuld. Kanttekening uit het beleidskompas zelf: de IGJ waarschuwt dat aankomende bezuinigingen de capaciteit voor opvolging kunnen beperken.
Wanneer gaat het in?
Het wetsvoorstel voorziet in gedifferentieerde inwerkingtreding: onderdelen kunnen op verschillende momenten in werking treden. De VNG hield in haar uitvoeringstoets rekening met 1 januari 2027; gezien het lopende consultatietraject en de nog te doorlopen parlementaire behandeling is een latere datum realistisch. De woonplaatsbeginsel-wijzigingen gelden vanaf inwerkingtreding voor nieuwe verwijzingen; de VNG adviseert nadrukkelijk om lopende toekenningen te ontzien en alleen nieuwe gevallen en herindicaties onder het nieuwe regime te brengen.
Voor wie is dit goed nieuws? Voor wie niet?
Positief voor gemeenten met veel verhuisbewegingen en verblijfsvoorzieningen. De verrekenregel voorkomt forse claims met terugwerkende kracht die zwaar op een begroting kunnen drukken. Keerzijde: voor de overdragende gemeente pakt het juist ongunstig uit als zij te laat constateert wie verantwoordelijk is. Wie zijn backoffice niet op orde heeft, betaalt straks de rekening.
Positief voor jeugdhulpaanbieders. Minder wachten op uitsluitsel over de verantwoordelijke gemeente betekent sneller starten en meer zekerheid over vergoeding. De meld- en vergewisplicht is voor aanbieders die dit al deden een formalisering; voor de rest een reële taakverzwaring.
Positief voor de privacy van jongeren. Een landelijke registratie van risicosignalen over honderdduizenden jongeren, met beperkt aantoonbaar effect, verdwijnt. Voor jeugdigen en ouders geldt tot inwerkingtreding het recht op inzage en verwijdering via de eigen gemeente.
Zorgelijk voor regio’s waar de VIR wél werkt. De VNG is hier onomwonden: er verdwijnt een vangnet, met name voor bovenregionale matches. Gemeenten verwachten dat niet alle huidige signalen door andere werkwijzen worden opgevangen, wat in individuele gevallen tot zwaardere problematiek kan leiden. Tegelijk blijft de wettelijke opdracht tot vroegsignalering en afstemming onverkort staan, alleen zonder instrument. Het kabinet verwijst naar bestaande programma’s, de handreiking vroegsignalering en het wetsvoorstel Aanpak meervoudige problematiek (WAMS).
Wat kunt u nu al doen?
- Inventariseer uw juridische verplichtingen. Contracten met de leverancier van het regionale signaleringssysteem, SLA’s, het convenant met aangesloten partijen, subsidies aan GGD of Toegang, inkoopvoorwaarden en beschikkingsteksten waarin de VIR wordt genoemd. Staat u voor een nieuwe aanbesteding? Neem nú een beëindigingsclausule op.
- Regel de datavernietiging aantoonbaar. Maak met uw leverancier afspraken over verwijdering én over hoe u dat kunt aantonen.
- Bepaal het alternatief vóórdat het vangnet weg is. Welke werkwijze vervangt in uw regio de bovenregionale match? Dat is een inhoudelijke keuze, geen ICT-vraag.
- Actualiseer werkinstructies en stroomschema’s woonplaatsbeginsel en leg de overdracht tussen backoffices schriftelijk vast, met ontvangstbevestiging.
- Reageer op de consultatie. Tot en met 9 oktober 2026. De VNG stelde als randvoorwaarde dat er minimaal negen maanden vóór inwerkingtreding een herziene afbouwhandreiking ligt. Dat is een punt dat baat heeft bij herhaling vanuit de praktijk.
Tot slot
Dit is een verzamelwet met beperkte inhoudelijke samenhang, maar met concrete gevolgen voor werkprocessen, contracten, begroting en voor de manier waarop professionals elkaar vinden rond een kwetsbare jongere. Het schrappen van een instrument dat onvoldoende werkte is verdedigbaar. Het is alleen geen antwoord op de vraag die eronder ligt: hoe zorgt u dat professionals elkaar tijdig vinden?
TransitiePartners helpt gemeenten en regio’s bij de afbouw van de verwijsindex, het herinrichten van vroegsignalering en het op orde brengen van het woonplaatsbeginsel in de uitvoering. Benieuwd wat dit voor uw regio betekent? Neem contact met ons op.